Wim Kant - (oud) Maître Wilhelmina Sleeuwijk

Hoe wordt je tamboer-maître? Meestal ben je al wat jaartjes lid van een vereniging en door wat verschuivingen in het ledenbestand en vaak ook op aandringen van anderen vul je de vrijgekomen plaats in. Of je valt voor de lol een keer in en krijgt meteen de smaak te pakken. Bij Wim Kant, tamboer-maître van Showkorps Wilhelmina uit Sleeuwijk, ging het echter heel anders. Hij was het al vanaf zijn zesde! “Het is gewoon zo gelopen. Vanaf mijn 6de jaar liep ik als een soort mascotte voor de tamboer-maître van de drumband. Mijn vader was lid van die drumband en nam mij altijd mee. En als jongetje van 6 kies je niet om mascotte te worden. Maar ik vond het fantastisch en ben er mee opgegroeid. Dat heb ik twee jaar gedaan. Ik werd te groot en ben mee gaan drummen. Op mijn 16e werd ik tamboer-maître, maar na een jaar moest ik stoppen vanwege mijn studie in Delft. Tegen het eind van mijn studie werd ik door Wilhelmina benaderd. Ik vond het een uitdaging om voor een showkorps te lopen en ben in 1983 lid geworden.”

De nu 41-jarige Wim heeft al een aardige muzikale geschiedenis. “Vanaf mijn 8e ben ik tamboer. Eerst bij een traditionele drumband, die voor de fanfare liep. Als de fanfare speelde, zweeg de drumband. De tamboers zwaaiden dan met de rechterarm en de maître liep met de stok horizontaal onder de linkerarm. In die tijd heb ik mijn tamboerdiploma A en B behaald. Bij Wilhelmina heb ik ruim 15 jaar de slagwerkinstructie verzorgd. Zo af en toe speel ik nog met de slagwerksectie mee tijdens repetities. En sinds kort ben ik gestart met trombone spelen. Dat wil ik al heel lang. Mijn vrouw Lyan speelt trompet. Mijn zoons zijn allebei tamboer bij het jeugdkorps, maar doen daarnaast hun best om muzikant te worden. Benny (14) speelt bariton en Jeffrey (10) trombone. Ik kan nu niet meer achterblijven.”

Wim Kant begon op Koninginnedag 1968 als mascotte bij fanfare Nooit Gedacht uit Almkerk en in 1983 debuteerde hij op diezelfde dag als tamboer-maître bij Showkorps Wilhelmina. Hij omschrijft zichzelf als ‘gedreven, strak en heel erg Engels’. Een maître is volgens hem geen individualist, maar handelt in het belang van het korps. Gooien met de mace zal Wim nooit doen. “Soms zie je dat nog wel eens. Een maître die zijn stok omhoog gooit, vervolgens bij moet passen om hem met moeite weer op te vangen, intussen vergetend dat er een band achter hem loopt.”

Kan iedere maître voor ieder korps lopen? “Nee, het karakter en de uitstraling van de maître moet bij het korps passen. Voor een frivool korps past een jolige maître. Voor een statig korps past alleen een statige maître.” Maar stel, je loopt tijdens een mars eerst met, bijvoorbeeld, Royal Salute en daarna met The Enjoyment of Cheese. Blijf je dan dezelfde maître of verandert er toch iets aan je houding? “Aan mijn houding verandert niets. Wel aan de manier waarop ik leiding geef aan het korps. Bij speelse muziekstukken improviseer ik graag en loop dan bijvoorbeeld tussen het publiek door of langs de ‘verkeerde’ kant van een vluchtheuvel. Bij een statige Engelse mars past dat niet.”

Kan een maître overigens beter uit de slagwerk- of blazerssectie komen? “De beste maîtres hebben een basis gelegd met slagwerk. Bij de militaire bands in Engeland kan je alleen drum-major worden vanuit de drum- en buglesection. Een muzikant wordt daar nooit drum-major.”

Als ik Wim vraag naar in zijn ogen goede Nederlandse collega’s komt zijn voorkeur voor de Engelse stijl ook duidelijk naar voren. “Nederland heeft een aantal hele goede maîtres, die hun korps volledig onder controle hebben en respect afdwingen met hun uitstraling, zonder dat ze daarbij al te dominant aanwezig zijn. Arie van Duijn van DVS Katwijk vind ik een hele goede maître. Maar ook Edwin den Boer van de Rijnmondband, Kees Garnaat van Excelsior Delft en Fred Kuyvenhoven van Concordia Leiden hebben een stijl die mij zeer aanspreekt.”

Hoe ga je met kritiek van andere maîtres om? “Van negatieve kritiek trek ik me niets aan. Die ontstaat veelal uit jaloezie. Naar positieve opbouwende kritiek luister ik altijd heel goed. Daar kan ik van leren. Ik wil altijd beter worden en daar heb je de mening van anderen voor nodig. Je kunt nu eenmaal niet naar jezelf kijken.”

Het is Wim’s droom ooit nog eens voor de Royal Marines te mogen lopen. “Absoluut het mooiste korps dat ik ken. Een fantastische uitstraling, perfecte exercitie, imponerende uniformen en vreselijk mooie muziek. Ik ben al een paar keer naar Londen geweest voor Beating Retreat en Trooping the Colour. Daar moet je zijn voor militaire bands met klasse. Daar leer je veel van. Ik heb echt genoten van de Guards, maar bij The Royal Marines had ik een uur lang koude rillingen. Echt fantastisch! Vorig jaar heb ik een workshop bijgewoond met Andy Bridges, Corps Drum Major bij The Royal Marines. Een hele leuke ervaring en bijzonder leerzaam. Je merkt dan dat een maître heel veel kwaliteiten moet hebben, maar bovenal een autoriteit moet zijn. Uitstraling, daar gaat het om.”

Zou je wel eens voor een D&BC-korps willen lopen? “Absoluut niet. Ik hou van marcheren in een strakke Engelse stijl en ga dus nooit op mijn hakken lopen en in mijn handen klappen.”

De eerder genoemde workshop gebruiken we als bruggetje naar de stelling: ‘Een maître heeft geen cursus nodig, hij/zij leert toch het meest op straat’. Wim is het daar niet mee eens. "Een maître leidt zijn korps en gebruikt daarbij stoktekens en commando’s. Dat kun je in een cursus leren. Daarmee leg je de basis. Vervolgens moet je een eigen stijl ontwikkelen. Dat kun je niet in een cursus leren. Dat moet je zelf doen door veel naar andere maîtres te kijken en veel te oefenen. Alleen en met je korps. Het korps moet ten slotte begrijpen wat je met je commando’s bedoelt. Pas daarna ga je de straat op met je korps en kan je aan je routine werken.”

Hecht je veel waarde aan een maîtreprijs? “Uiteraard is het leuk om zo’n prijs te krijgen, maar ik hecht er niet al teveel waarde aan. Het is voor mij niet duidelijk welke criteria gehanteerd worden bij het toekennen van de maîtreprijs. Ik vind het veel belangrijker dat we met het korps een goede prestatie neerzetten op een concours.”

Wat was je hoogtepunt en je dieptepunt? “Absoluut hoogtepunt was onze deelname aan het WMC in 2001. Een fantastisch gevoel om met je korps in een stadion te lopen met 19.000 toeschouwers.

Dieptepunten ken ik niet. Klinkt misschien arrogant, maar ik bereid me altijd heel goed voor en ben voor ieder optreden super geconcentreerd. Gaat er dan toch iets fout dan zie ik dat niet als een dieptepunt, maar als een gebeurtenis waar ik weer van kan leren.”

Ik ken maîtres die absoluut niet met majorettes kunnen en willen lopen. Hoe ervaar jij dit en hoe is jouw samenwerking met de miss? “Ik ben er aan gewend dat er majorettes voor me lopen. Dat was al toen ik tamboer-maître werd bij Wilhelmina. Dat is nooit een keuze geweest, ze horen bij de vereniging. De samenwerking met de miss is perfect. We proberen samen steeds de beste oplossing te vinden om het korps zo goed mogelijk te presenteren.”

Heb je nog andere taken binnen de vereniging? “Ik ben bestuurslid en maak deel uit van de commissie die jaarlijks Taptoe Sleeuwijk organiseert. Daarnaast geef ik exercitieles aan de jeugd en senioren en val ik in wanneer de slagwerkinstructeur afwezig is.”

Tot slot: wat had je gedaan als je geen maître was geweest? “Geen idee. Ik ben al 20 jaar tamboer-maître bij Wilhelmina. Dat is een deel van mijn leven geworden en ik kan me niet indenken wat ik anders zou doen.”